Th. van der Groe over het laatste oordeel

augustus 22, 2011

“Enige bijzonderheden” over het laatste oordeel volgens Th. van der Groe (1705-1784).

“Wij hebben hier nu nog enige bijzonderheden ra­kende deszelfs omstandigheid te overwegen. De eerste bijzonderheid is, aangaande de tijd, wanneer deze algemene gerichtsoefening op de aarde zal gehouden worden; hoe kort of hoe lang, het nog wel zal aanlopen eer die grote en doorluchtige dag des Heeren komt.

Reeds in oude tijden, is er een overlevering geweest onder de Joden, dat de wereld, juist zestig eeuwen, of zes duizend jaren staan zal; te weten, twee duizend jaren voor, twee duizend jaren onder, en twee duizend jaren na de wet. Volgens die berekening zou het laatste al­gemene oordeel dan nu, over omtrent drie honderd jaren, reeds moeten komen. Doch geliefden! Wij hebben hier niet te werk te gaan met menselijke overleveringen; maar alleen met de Heilige Schrift. En die heeft ons, van de juiste tijd des laatsten oordeels nergens enig bericht gedaan, maar die voor ons, mensen, met opzet verborgen gehouden. De Zaligmaker leert ons duidelijk Markus 13: 32: Van dien dag en ure weet niemand; noch de Engelen, die in den hemel zijn; noch Hij als de Zoon des mensen hier op aarde ; maar alleen de Vader. In het algemeen wordt ons, in Gods Woord geleerd , dat de dag des algemenen oordeels zal ko­men op het einde der wereld, als al de uitver­korenen, zoveel er van eeuwigheid in het boek des levens aangetekend zijn, zullen zijn geboren; en God de Heere alles wat Hij nog besloten heeft te doen, in Zijn Kerk en in de wereld, zal hebben uitgevoerd en schoongemaakt, op Zijn tijd.

Doch ofschoon de Heere voor ons mensenkinderen, dus de juiste tijd van het laatste oordeel heeft believen, om wijze redenen verborgen te houden, zo heeft Hij ons nochtans, verscheiden tekenen in Zijn Woord gegeven, die de komst van Christus ten oordeel noodzakelijk moeten voorafgaan. Van welke een gedeelte reeds vervuld is en het andere gedeelte nog na dezen, zal moeten vervuld worden.

De din­gen die volgens de Heilige Schrift, nog voor des Heilands komst ten oordeel moeten geschieden, bestaan voornamelijk hierin:
Dat nog eerst de antichrist moet vallen; zijn rijk geheel verbroken, en de stad Rome, de troon des beestes verwoest moet worden.
Dat nog eerst geheel het Joodse volk tot Christus moet bekeerd worden en de volheid der heidenen ingaan.
Dat zulks geschied zijnde, nog een ver­heerlijkte staat der Kerk moet komen, waarin de gelovigen met Christus als Koning, een tijd van duizend jaren, hier op aarde zullen heersen, ge­durende welke duizend jaren, de duivel in de hel zal gesloten worden, zodat hij in al die tijd de volkeren niet meer zal verleiden, volgens Openbaring 20.
Dat er dan, na die duizend jaren, nog weer een zeer zware vervolging, over de Kerk moet komen, verwekt door Gog en Magog die de legerplaats der Heiligen zullen omringen, en de kerk van Christus ten uiterste zullen benauwen. Na welke zware ver­volging, die echter maar een korte tijd zal duren, deze Gog en Magog door vuur dat uit den hemel komen zal, zullen verslonden worden.

En dan, als al deze grote en doorluchtige dingen geschied zullen zijn, is het waarschijnlijk dat het einde der wereld nabij zal zijn en dat Christus eerlang ten oordeel zal komen.
Ziet geliefden, zo blijkt in dit alles dan nu dat de dag des oordeels, volgens Gods woord nog zo nabij niet is maar dat het nog meer dan duizend jaren zal moeten duren.
Doch, bij dit uit­stel vinden wij, die tegenwoordig leven geen het minste voordeel; dewijl een ieders dag om te sterven nadert. En zoals de dood de mens laat, zó zal de dag des oordeels hem vinden.
Het moet ons genoeg zijn te weten, hetzij vroeg of laat, een zo algemeen oordeel zeker eens over alle mensen zal komen, gelijk wij nu beschouwd hebben. (…)

Citaat uit zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus; de 2e verhandeling naar aanleiding van vraag 52, over het laatste oordeel.