Het Nieuwe Verbond en de Toekomst van Israel, Prof. dr. Mart-Jan Paul

mei 31, 2013

Hieronder treft u de lezing aan van prof. dr. Mart-Jan Paul, gehouden op de bidstond te Bodegraven, 14 mei 2013. We zijn hem dankbaar dat hij deze geschikt heeft gemaakt voor publicatie op onze site. Vrij te gebruiken, maar voor commerciele doeleinden graag contact opnemen. (PDF-versie)

Bodegraven ‘Comité Herleving Gebed voor Israël’

Het nieuwe verbond en de toekomst van Israël

Prof. dr. Mart-Jan Paul

14 mei 2013

De kathedraal in Straatsburg heeft bij de zuidelijke ingang twee bijzondere beelden staan, uitbeeldingen van het joodse en christelijke geloof. Vrouwe synagoge houdt het hoofd schuin omlaag, en haar ogen zijn bedekt met een blinddoek. cathedral strasbourgIn haar rechterhand houdt ze een driemaal geknakte lans met een nauwelijks zichtbare vlag. In haar linkerhand houdt ze – ondersteboven! – de twee wetstafels, op een manier dat ze bijna uit haar hand vallen.
‘Vrouwe kerk’ daarentegen staat rechtop, met gekroond hoofd. Ze heeft een fiere blik. Met haar rechterhand omklemt ze het kruis waaromheen een fraai vaandel is gedrapeerd, de kruisvaan. In haar linkerhand houdt ze een avondmaalsbeker vast.
Dit is een beeldende illustratie van de verhouding tussen jodendom en christendom zoals die in de middeleeuwen werd gezien. Een ziende kerk en een blinde synagoge. Heeft Paulus zelf niet gezegd dat er een bedekking op de Joden ligt wanneer ze Mozes lezen? (2 Kor. 3:13-15).

In de loop der eeuwen is de overtuiging gegroeid dat de christelijke kerk in plaats van Israël gekomen is. De vervangingstheologie heeft allerlei vormen aangenomen en bepaalde in sterke mate de relatie tussen kerk en synagoge. De vraag rijst of deze vervanging tijdelijk of blijvend is. In de afgelopen eeuwen zijn er heel wat predikanten geweest die zich bezonnen hebben op de toekomst van Israël. Voor in het Engelse puritanisme, in het Duitse piëtisme, in de Nederlandse Nadere Reformatie en in het Reveil zijn prachtige verhandelingen te vinden over de profetieën die gaan over een heilrijke toekomst van het Joodse volk. Daarmee verbonden kwam ook het gebed voor Israël op. Profetieën zijn niet bedoeld om af te wachten wat er gaat gebeuren, maar om daar biddend mee bezig te zijn.
Het Comité heeft een boekje opnieuw uitgegeven, uit 1852, met een twaalftal redevoeringen uitgesproken tijdens de bidstonden voor Israël. Het is goed om in het verlengde daarvan ook vanavond samen te komen voor gebed.
Maar wat mag op het gebed verwacht worden? Is er hoop voor het Joodse volk? Straks wil ik ingaan op de betekenis van het nieuwe verbond in Jeremia 31.

Vroege kerk – Augustinus
Eerst wil ik echter aandacht besteden aan de vroege kerk. Het is bekend dat de vroegchristelijke kerk zich steeds duidelijker gedistantieerd heeft van het Jodendom en zichzelf ging beschouwen als het ware Israël. Dan lijkt het alsof er geen hoop meer is voor het Jodendom. Toch kunnen die twee zaken samengaan. Omdat dit weinig bekend is, wil ik uw aandacht vragen voor Augustinus. In zijn boek De stad van God schrijft hij over de toekomst. Bij de behandeling van Hosea wijst Augustinus op de tekst in 3:5-6 ‘Want de Israëlieten moeten veel dagen zonder koning en zonder vorst blijven, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod en afgodsbeelden. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, de Heere, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de Heere en Zijn goedheid wenden, in later tijd’. Augustinus betrekt deze tekst op de Israëlieten naar het vlees die nu nog niet in Christus willen geloven. Hosea verzekert dat zij later wel zullen geloven, hetgeen betekent dat hun zonen het zullen doen.[1]

Augustinus wijst ook op het slot van het boek Maleachi, waar gesproken wordt over de komst van Elia. ‘Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Heere komt, die grote en ontzagwekkende dag. Hij zal het hart van de vaders tot de kinderen terugbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaders’ (4:5-6a). Augustinus schrijft: ‘Dat door deze Elia, een grote en bewonderenswaardige profeet, op het einde van de tijd, vóór het oordeel, de wet aan de Joden zal worden uitgelegd en dat zij dan in de ware Christus, in onze Christus zullen geloven, is iets waarover onder de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht.’ …  Als hij [= Elia] dus zal komen en een geestelijke uitleg van de wet zal geven, die nu door de Joden nog vleselijk wordt verstaan, zal hij het hart van de vader keren naar de zoon.’[2]

Opmerkelijk dat Augustinus aangeeft dat over deze zaken door de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht. Het mag voor ons een aansporing zijn hetzelfde te doen!

Er is nog een derde profetie die van belang is. Augustinus wijst op Zacharia 12, waar staat dat de volken tevergeefs tegen de heilige stad Jeruzalem optrekken en dat de Heere de Geest van genade en van gebeden zal uitstorten (vs. 9-10a). Het gevolg van die geestelijk vernieuwing is ‘Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene’ (vs. 10b). De uitleg van Augustinus is: ‘De Joden – ook degenen die een geest van genade en barmhartigheid zullen ontvangen – zullen er namelijk op die dag berouw over hebben dat ze Christus in zijn lijden gehoond hebben.’

Aan het slot van boek 20 vat Augustinus zijn standpunt samen: ‘De dingen die, naar wij geleerd hebben, bij of in verband met dat oordeel zullen gebeuren, zijn de volgende: Elia de Thisbiet zal komen. De Joden zullen geloven. De antichrist zal de Kerk vervolgen. Christus zal komen om recht te spreken. De doden zullen verrijzen.’[3] Bij de vijf zaken die hij opsomt, gaan de komst van Elia en de bekering van Israël voorop.

Hier zien wij duidelijk dat de kerkvader een toekomstige bekering van het Joodse volk verwacht, en dat baseert op oudtestamentische profetieën. Elders betrekt hij ook Romeinen 9-11 hierbij.

Andere stemmen uit de vroege kerk
Wat ik vanavond wil onderstrepen, is de uitspraak dat dat over deze zaken door de gelovigen heel veel wordt gesproken en gedacht. Wie zijn dat dan in deze eerste eeuwen?

Uit de tweede eeuw noem ik Justinus Martyr: ‘En wat het volk van de Joden zal zeggen en doen, wanneer zij Hem zien komen in glorie, is voorzegd door Zacharia de profeet. (…) Stam bij stam zullen zij rouw bedrijven en dan zullen zij zien op Hem die zij doorstoken hebben.’[4]

De apologeet Tertullianus wijst rond het jaar 200 ook op de toekomstige zegening en zaligheid van Israël. Hij roept de christenen op om zich te verheugen over het komende herstel van Israël, want onze hoop is nauw verbonden met de blijvende verwachting van Israël.[5]

Origenes, de grote man van de allegorische verklaring van de Schrift, schrijft in de derde eeuw over de twee roepingen van Israël. Tussen deze twee roepingen in staat Gods roeping van de kerk. Dat wil zeggen: eerst was Israël geroepen, maar daarna, toen Israël struikelde en viel, werd de kerk van de heidenen geroepen. Maar wanneer de volheid van de heidenen ingegaan is, dan zal heel Israël, dat opnieuw geroepen is, zalig worden.[6]

Chrysostomus neemt ook aan de komst van Elia de bekering van de Joden inluidt. Hij wijst op Rom. 11:27, waar staat ‘En dit is het verbond van Mij met hen, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen’. De kerkvader zegt dat aan Israël dit beloofd is, maar nog niet gerealiseerd is. Daarom zal het in de toekomst nog gebeuren.[7]

Aan de genoemde namen kunnen nog andere toegevoegd worden, zoals: Hilarius van Poitiers, Ambrosius, Hiëronymus en Cyrillus van Alexandrië.[8] Inderdaad, Augustinus is bepaald niet de enige met deze verwachting. De eeuwen daarna blijven deze geschriften invloed uitoefenen. Enerzijds is er de vervangingstheologie, anderzijds de verwachting dat eens Israël weer de bevoorrechte plaats van de kerk zal innemen. De heilsprofetieën van het Oude Testament laten dat zien.

Het nieuwe verbond[9]
Toch zijn er heel wat christenen die zich afvragen of dit wel kan. Is het huidige Joodse volk nog steeds drager van de beloften aan Abraham? Of is er door het nieuwe verbond, aangekondigd in Jer. 31-33 en verwerkelijkt door Jezus Christus, een andere relatie is gekomen? Allerlei christenen menen dat de beloften overgegaan zijn op de christelijke gemeente, al wijzen sommigen de term ‘vervangingstheologie’ af. Zij bedoelen dat het heil nu voor Israël én de volken is, die samen als gelovigen een nieuwe realiteit vormen. De term is dan inclusief bedoeld (als een soort groeimodel) en niet in de zin dat de kerk Israël vervangen heeft. Niettemin is met deze opvatting het adres van de beloften wel verlegd. De aanduiding ‘Sion’ heeft dan betrekking op het nieuwe lichaam van gelovigen, de gemeente, en niet meer op een geografische werkelijkheid in het land Israël.

Dit wordt vaak verdedigd met een beroep op het nieuwe verbond. Immers het oude is afgeschaft en vervangen door het nieuwe (2 Kor. 3; Heb. 8). Daarom vraag ik vanavond speciaal aandacht voor het nieuwe verbond. In Jeremia 31:31 staat: ‘Zie, er komen dagen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten’. Het is opvallend dat het nieuwe verbond zowel Juda als Israël betreft, dus het Twee- en het Tienstammenrijk. En andere volken worden hier niet genoemd.
Vers 32 maakt duidelijk dat hetzelfde Israël dat het verbond verbroken heeft, ook een nieuw verbond zal ontvangen. Het is het volk dat uit Egypte geleid is. Dat volk heeft het verbond, het trouwverbond, verbroken. Is de relatie nu beëindigd? Dat zou kunnen, maar dat blijkt niet het geval te zijn, omdat er een ander verbond komt.
In het slot van dit hoofdstuk staat: ‘Zo zegt de Heere, Die de zon tot een licht geeft overdag, en de vaste orde van maan en de sterren tot een licht in de nacht, Die de zee opzweept, zodat haar golven bruisen, Heere van de legermachten is Zijn Naam. Als deze verordeningen ooit zouden wijken van voor Mijn aangezicht, spreekt de Heere, dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!’ (31:35-36).
Opmerkelijke woorden: zolang de zon, maan en sterren schijnen, zo lang blijft Israël Gods volk.
Aan het eind van hoofdstuk 33 worden soortgelijke woorden gebruikt. Dus juist in de samenhang met uitspraken over een nieuw verbond staan beloften dat Israël blijvend Gods eigendom is, in ieder geval zolang de hemellichamen functioneren.
Wij kunnen het ongeloof van Israël en de verwerping van de Messias zwaar aanrekenen, maar blijkbaar wordt de band toch niet geheel verbroken. Zolang de kosmos functioneert, zo lang is God getrouw. Zeker, het oude verbond is verbroken, maar daarvoor komt een nieuw verbond.

Wat is de inhoud van het nieuwe verbond? Het antwoord is ‘Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de Heere, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe’ (31:33-34).

Het kenmerkende van het nieuwe verbond is, dat de Israëlieten God van harte zullen lief hebben. De wet van God is dan niet langer een zware verplichting die van buiten komt, en die te zwaar is om te dragen, want er komt een innerlijke bereidheid God te dienen. Mensen hoeven elkaar niet meer aan te sporen de God van Israël te leren kennen, want zij allen kennen Hem.

Het Sinaïtisch verbond was te ‘moeilijk’ voor het volk, omdat vaak de innerlijke bereidheid ontbrak en de zondige mens zo’n wet niet kon houden. Nu zwakt God zijn eisen niet af door een veel gemakkelijker wet te geven, maar Hij gaat de mens innerlijk veranderen, zodat die van binnenuit verlangt Hem te dienen. Dát is de grote verandering. Er blijft heel veel hetzelfde: het is dezelfde God en hetzelfde volk. De eisen worden ook niet minder. Het nieuwe is de verandering in het hart van de mens. Er zijn nog meer nieuwe aspecten aan dit verbond, zodat dit verbond terecht ‘nieuw’ genoemd kan worden, maar vanuit de grote continuïteit is het wellicht beter het woord ‘vernieuwd’ te gebruiken. Het is geen compleet nieuw en ander verbond, het is vernieuwd. Om een voorbeeld te gebruiken: een nieuwe maan is ook geen andere maan, maar een maan die opnieuw te voorschijn komt. In de profetieën van Jeremia over het nieuwe verbond blijkt overigens dat de verbonden met Abraham en David niet herroepen zijn, maar meegenomen worden in de nieuwe situatie (33:15-26).

Tot de reikwijdte van het nieuwe verbond hoort dat Israël en Jeruzalem worden in luister hersteld worden (vs. 23-25, 27, 38-40). In vers 36 staat de belofte dat het nageslacht van Israël niet zal ophouden een natie te zijn voor Gods ogen. En in 33:24 wordt het volk ten onrechte veracht alsof het geen natie meer is.
Hoewel de meeste Bijbelvertalingen dit verschil niet maken, is het van belang onderscheid te maken tussen de termen ‘volk’ en ‘natie’.[10] Dit wijst niet slechts in de richting van een geestelijke vernieuwing, maar ook naar de bijbehorende concrete levenswerkelijkheid.

Omdat Jeremia te maken had met de verbreking van het oude verbond en de daaruit voortvloeiende verwoesting van Jeruzalem en de tempel, was er geen andere mogelijkheid dan een vernieuwd verbond.

Het is opmerkelijk dat Jeremia nooit nieuwe gehoorzaamheid aan de wet aanbeveelt als weg tot herstel. Een dergelijke gehoorzaamheid zou wel goed zijn, maar de profeet wijst op de ontrouw in het ontaarde menselijke hart. De zonde staat geschreven met een stift van ijzer en een punt van diamant in de schrijftafel van het hart (17:1). Verderop zegt de profeet dat het mensenhart arglistig is (vs. 9). Hieruit blijkt dat een mens zichzelf in eigen kracht niet kan verlossen. In zekere zin hield de Thora daar al rekening mee, door de mogelijkheid van verzoening door de offerdienst te bieden, maar in de tijd van Jeremia is er nauwelijks of geen echte bekering en toewending tot God. In deze hopeloze situatie toont de profeet een andere weg van verlossing, niet meer gebaseerd op het verbond aan de Sinai, maar een nieuw verbond. Het heil komt van Gods kant, omdat van de kant van het volk geen bekering meer te verwachten is.

God herstelt zijn verbond doordat Hij Israëls zonden vergeeft en zijn wetten in de harten van de Israëlieten schrijft, zodat zij allen de Here persoonlijk zullen kennen. Dit nieuwe verbond draagt een uniek karakter. Men hoeft elkaar niet meer aan te sporen, want iedereen heeft de innerlijke motivatie om God te eren. Op de Israëlieten rust ook geen schuld meer en daarom zijn ze bevrijd van elke vloek.

In het nieuwe verbond schept God de voorwaarden voor de vervulling van die beloften, omdat Hij het hart van de Israëlieten neigt tot gehoorzaamheid. Door het besnijden en het veranderen van het hart gaan de Israëlieten zich aan de Thora houden en zo zullen zij de verbondszegeningen ontvangen. Dit is Gods antwoord op het zondige karakter van het menselijk hart.

Het Nieuwe Testament
Wanneer Christus het Avondmaal instelt, neemt Hij de beker op en zegt: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed’ (Luk. 22:20). Hiermee geeft Hij aan dat het door Jeremia voorzegde nieuwe verbond ingaat. We kunnen ook zeggen: het verbond gaat in bij de kruisiging van Christus, wanneer Hij Borg wordt van een beter verbond (Heb. 7:22,27). Het feit dat het Avondmaal juist tijdens het Pesachfeest plaatsvindt, toont ook dat hiermee het verbond aan de Sinai wordt vervuld. Jezus kwam immers niet om de wet en de profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen, waarmee wordt bedoeld dat ze op een hoger plan worden gebracht en worden opgenomen in Zijn messiaanse rijk (Mat. 5:17). Het feit dat Hij na de instelling van het Avondmaal (dat een Pesachmaal was) zijn leven geeft, houdt in dat Hij het Paaslam was (vgl. 1 Kor. 5:7). Hij geeft de beker van het verbond aan de discipelen, waarbij het twaalftal symbool staat voor de twaalf stammen van Israël. Het nieuwe verbond begint in Jeruzalem en betreft in eerste instantie de Joodse discipelen.

Dat met de instelling van het Avondmaal nog niet de volledige vervulling van het nieuwe verbond aanbreekt, blijkt ook uit de verwijzing dat deze maaltijd gehouden wordt ‘totdat Hij komt’ (1 Kor. 11:26), namelijk totdat het koninkrijk van God en het nieuwe verbond volledig gerealiseerd zullen worden.

De meerwaarde van het nieuwe verbond komt ook aan de orde in Heb. 8-10. Onder het oude verbond moest een priester steeds weer het aardse heiligdom binnengaan om daar offers te brengen. In het nieuwe verbond gaat Jezus, de hemelse hogepriester, het hemelse heiligdom binnen. Hij heeft eens voor altijd het offer van zijn leven gebracht tot vergeving van zonden van allen die in Hem geloven.

Het is van belang dat ook in de nieuwtestamentische teksten het nieuwe verbond de opvolger is van het verbond aan de Sinai. Het verbond met Abraham is niet vervangen en blijft nog steeds gelden. Er blijft een band tussen God en het volk dat de gekomen Messias afwijst. De genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk (Rom.11:29). Dit is in overeenstemming met de belofte in Jeremia dat het volk Israël altijd, zo lang de zon en de maan er zijn, een volk voor Gods aangezicht zal zijn

Gelovigen uit de Joden en de heidenen
De andere volken komen bij Jeremia niet ter sprake in de context van het nieuwe verbond. Hoe is het dan mogelijk dat ook anderen delen in de zegen voor Israël?

Zoals boven al naar voren kwam, blijft het verbond met Abraham intact. Van de aanvang af is het de bedoeling geweest dat de volken in Abraham gezegend zouden worden (Gen.12:3). Bij de profeet Jesaja staan duidelijke aanwijzingen dat er een nieuwe bedeling komt waarin gelovigen uit de volken mogen meedoen. Het blijkt daar ook dat de Knecht van de Heere een tweevoudige taak heeft: Hij is tot een verbond voor het volk Israël en tot een licht voor de volken gesteld (Jes. 42:6; 49:6-8). Later zegt Simeon dat het Kind in zijn armen is tot ‘een licht om de volken te verlichten en om uw volk Israël te verheerlijken’ (Luk. 2:32). Ook hier blijkt de dubbele opdracht voor de Messias. Wanneer Hij de komst van het nieuwe verbond realiseert, is het daarom mogelijk dat niet slechts Israël de zegeningen ervan ontvangt, maar dat ook de volken daarin delen.

Overigens spreekt Jeremia er op andere plaatsen wel over dat volken Gods heil ervaren. In Jer. 30-33 komt de kern naar voren, maar blijkbaar zijn er meer aspecten van het nieuwe verbond.

Paulus schrijft dat de christenen in Klein-Azië door Christus dicht bij God en zijn volk zijn gekomen. De muur die eens scheiding maakte tussen Joden en heidenen, is afgebroken. Hierdoor zijn de gelovigen uit de volken medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods geworden (Ef. 2:13-14,19). Daarom is het problematisch om de kerk en het volk Israël al te scherp te onderscheiden en tegen elkaar uit te spelen. De gelovigen uit de heidenen zijn immers mede opgenomen in het nieuwe verbond

Vervulling in fasen
Jeremia spreekt over veel concrete zaken die in de periode daarna, ook in de tijd van het NT en de latere geschiedenis van Israël en de christelijke gemeente, nog niet gerealiseerd zijn. De algehele vernieuwing en toewijding aan God zijn nog niet verwerkelijkt, ook niet na de uitstorting van de Geest (Hand. 2). We missen nu nog steeds de volmaaktheid en de volledige verbondszegen.

De heilsbeloften worden niet allemaal in het huidige voorlopige Koninkrijk gerealiseerd. Paulus had veel verdriet over de verwerping van de Messias door zijn eigen volk. Hij ziet uit naar de toekomst wanneer na de verwerping de aanneming komt (Rom. 11:15). Eens zal gans Israël zalig worden (11:26). Dan zullen ook de beloften van Jeremia verder in vervulling gaan.

Kerkgeschiedenis
In de vroege kerk leefde sterk het besef van de beloften voor het Joodse volk. Dat gold in het bijzonder ook de moedergemeente in Jeruzalem. De Joodse christenen bleven vasthouden aan hun Joodse wortels en ook aan de besnijdenis. Eusebius noemt de eerste vijftien leiders van de christelijke gemeente te Jeruzalem, van de tijd van Jakobus tot aan de opstand van Bar Kochba (132-135). Deze leiders of bisschoppen waren allen ‘van de besnijdenis’.[11] Blijkbaar bleef de besnijdenis als teken van het verbond met Abraham voor hen betekenis houden, ook in de periode dat het nieuwe verbond aangevangen was.

De Romeinen hebben Jeruzalem ingenomen in het jaar 70. In hun woede en grote wreedheid hebben zij toen duizenden Joden gekruisigd. In de tijd van Bar Kochba, in 135 na Chr., is er nog een keer een opstand geweest, maar ook die is bloedig neergeslagen. Toen kwam een nog strengere maatregel: geen Jood mocht meer blijven wonen in Jeruzalem en de stad kreeg een andere naam. Slechts eenmaal per jaar, op de herdenkingsdag van de verwoesting van de stad, mocht een groep rouwklagende Joden tegen betaling de stad doortrek­ken. Dat is eeuwenlang zo gebleven. Twee voorbeelden:

In de 13e eeuw schrijft de joodse geleerde Nachmanides: ‘Wat zal ik van dit land zeggen?… Des te heiliger de plaats, des te groter de verlatenheid. Jeruzalem is wel het meest verla­ten… Er zijn ongeveer 2000 inwoners…, maar er zijn geen Joden (…). Er zijn nu slechts twee broers, stoffenververs. In hun woning komt op de sabbat een aantal aanbidders samen. Regelmatig komen er nu mensen, zowel mannen als vrouwen uit Damascus en Aleppo en uit alle delen van het land naar Jeruzalem, om de tempel te zien en over haar te wenen. En moge Hij, die ons waardig acht het geruïneerde Jeruzalem te aanschouwen, ons genadig zijn om haar herbouwd en hersteld te zien, en ook om de eer van de godde­lijke tegenwoordigheid te zien terugkeren.’ [12]

Vanaf de 19e eeuw komt hierin verandering. Joden van heel de wereld keren terug naar het land van hun verre voorvaderen. Is dit vervulling van de profetie? Het zijn tekenen dat God Zijn oude verbondsvolk niet loslaat. Toch is deze terugkeer en de stichting van de staat Israël nog niet gelijk aan de volledige vervulling van de profetieën. Er is nog zoveel meer beloofd, vooral de geestelijke vernieuwing.

Ten slotte
Vanavond zijn wij samen gekomen in een bidstond. We bidden dat de Heere Zijn beloften nog verder vervult. En dan? Sommige christenen uit de volken menen dat het heil dan volledig naar Israël gaat, terwijl de periode van de volken voorbij is. Dat lijkt mij onwaarschijnlijk. De profetieën in het Oude Testament wijzen erop dat Israël tot zegen is voor de andere volken. Ik sluit mij aan bij Isaac da Costa die in de 19e eeuw zei: ‘de belofte aan Israel is de blijvende grond van de aanneming der heidenen. Israel blijft de wortel; de gemeenten uit de volken zijn niet anders dan takken, op dien wortel geënt. Al de beloften zijn geschied aan Israel, en al de gemeenten zijn gezien en begrepen in Israel. Het ingaan van de volheid der heidenen, en de terugkeer van Israel met den wederopbouw der verwoeste steden worden daarom gedurig naast elkander geplaatst. Als Israel bekeerd wordt, zal de geheele wereld overstort worden met het licht des Evangelies. Ja, in de belofte aan Israel zijn al de beloften aan de volken begrepen. Israel behoudt dus het erfrecht, en dat niet ten nadeele maar ten voordeele der volken.’[13]

In het NT wordt duidelijk dat het heil naar de volken gaat. Ook zij mogen delen in Gods zegeningen door Jezus Christus (Mat. 28:19). Paulus werkt dit uit in Efeze 2:12-18. De gelovigen uit de heidenen waren vroeger uitgesloten van het burgerschap van Israël en vreemd aan de verbonden van de belofte. Door het bloed van Christus is die situatie gewijzigd en is er nu voor de gelovigen uit de Joden en uit de heidenen toegang tot de Vader. Zij die eerst vreemdelingen waren en bijwoners zijn nu medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods geworden. Het woordje ‘mede’ keert terug in de uitdrukkingen ‘mede-erfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus’ (Ef. 3:6). Dergelijke uitdrukkingen geven aan dat er geen vervanging is, maar een delen in de voorrechten.

De apostel Petrus verklaart dat het profetische woord zeer vast is en dat wij goed doen daarop acht te slaan als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Het is immers de Heilige Geest die gemaakt heeft dat mensen deze woorden spraken (2 Pet. 1:19). Daarom is het belangrijk het profetische woord na te gaan. Dat geeft richting in ons leven en uitzicht in een verwarrende tijd. De oude woorden Gods, waarvan een deel reeds in vervulling gegaan is, geven hoop voor de toekomst. Het laatste woord is niet aan de machten van het kwaad, maar aan God. Hij zal deze aarde vernieuwen en laten beantwoorden aan zijn grote doel.

Het boek Jeremia houdt de christelijke kerk een spiegel voor. Het bepaalt bij de ernst van de hartsgesteldheid van de natuurlijke mens en tevens bij de noodzaak van bekering. De troost is dat de Heere Zelf Zijn vernieuwende werk zal doen. Tevens bepaalt de belofte van het nieuwe verbond bij de blijvende beloften aan Zijn oude verbondsvolk Israël. Op grond daarvan behoren de tekenen van vervulling in Israël erkend te worden, maar moet ook beseft worden dat in de huidige situatie in het Midden-Oosten allerlei aspecten van het nieuwe verbond nog onvervuld zijn. Des te meer redenen voor de christelijke gemeente om met Israël te bidden om de komst van het Koninkrijk.


[1] De stad van God 18:28.

[2] 20:29.

[3] 20:30.

[4] Eerste apologie 52.

[5] Tegen Marcion 5.9.

[6] Hooglied 26:252.

[7] Het Evangelie van Mattheüs 57; De brief aan de Romeinen, 19.

[8] Voor nog meer voorbeelden, zie M.J. Paul, G. v.d. Brink, J.C. Bette (red.), Bijbelcommentaar Hooglied – Jesaja, Studiebijbel OT, deel 9 (2012), Excurs 3, ‘De uitleg van de profetieën over de toekomst van Israël’, 854-869. Het is de bedoeling dat in deel 11, Bijbelcommentaar Ezechiël – Daniël, de bovenstaande informatie over de vroege kerk uitgewerkt wordt. Verwachte verschijningsdatum: voorjaar 2014. Vgl. www.studiebijbel.nl.

[9] Zie Bijbelcommentaar Jeremia – Klaagliederen, SBOT, deel 10 (2013), Excurs 1, ‘Het nieuwe verbond en de andere verbonden met Israël’, 833-848.

[10] In het Hebreeuws wordt de term ‘am ‘volk’ vooral gebruikt voor de relaties en eenheid van een volk, en ook voor de relatie van het volk Israël met God. De term goy ‘natie’ duidt meer op een politieke, etnische en geografische groep en wordt vooral voor de andere volken (naties) gebruikt.

[11] Eusebius, Kerkgeschiedenis 4.5.

[12] Lance Lambert, Israel is uniek, 115.

[13] Da Costa, Bijbellezingen, 330, bij uitleg Jes. 40.

__________________
Dr. M.J. (Mart-Jan) Paul
Senior docent Oude Testament – CHE te Ede (www.che.nl)
Hoogleraar OT – ETF te Leuven (www.etf.edu)
Eindredacteur Studiebijbel OT (www.studiebijbel.nl)