De Verwachting Israels – En het Keerpunt in de Kerk

maart 18, 2013

De verwachting vervangen …. het fatale keerpunt!

Wat verwacht de kerk aangaande Israël? Wat verwachten wij? Verwachten we dat het met Israel uit en over is, dat we hoogstens nog wat mee kunnen leven met dat land en volk in het Midden-Oosten, maar dat het in wezen een land is zonder bijzondere verwachting en toekomst, op gelijk niveau met alle andere volken op deze aarde, als de Chinezen of de Eskimo’s of dergelijke? Denken we mogelijk dat er nog wel rijke beloften in de Bijbel staan op naam van Israël, maar dat die beloften inmiddels bedoeld zijn voor de vervanging er van , voor het geestelijke Israël, voor de kerk?kansel

Of mogen we weten een geloven dat de vele nog niet vervulde beloften uit Oude en Nieuwe Testament echt nog aan Israël vervuld zullen worden? Dat er voor dat Oude bondsvolk nog een tijd van bekering en wederaanneming,  van nationaal herstel onder haar Vorst en Koning Jezus  te wachten is, wel in het besef dat heel Israel , zowel orthodox  als seculier die beloofde bekering onmisbaar nodig heeft.

Op weg naar een toekomst van heil en zegen voor dat volk en voor de wereld door dat volk! Naar uitwijzen van Gods heilig en onfeilbaar Woord? Dan dus geen vervanging maar vervulling?

Het is altijd weer verbazend op te merken hoe in de loop van de kerkgeschiedenis de Bijbelse verwachting voor het uitverkoren volk op en neer golfde. Vooral zien we dat na de Reformatie.

Daarvoor al stond ze echter al, behoudens de eerste eeuwen van het Christendom, overwegend op een laag pitje. Toen al, en altijd weer blijkt de verwachting voor de toekomst van Israel te maken te hebben met de bril waardoor wij de Bijbel lezen, de zogenaamde hermeneutische sleutel. Maar is die  keuze vrij? In Bijbelse tijd vervulde God Zijn beloften zichtbaar en herkenbaar, zal het nu anders gaan?

De eerste Christenkerk las de Bijbel overwegend zoals het er stond. Daar kwam verandering in door de directe en indirecte invloed van de z.g. Gnostieken die zich verzetten tegen een al te letterlijk lezen van de Bijbel, je moest dat toch vooral geestelijk verstaan en  dat was alleen mogelijk als je de Gnosis, de verborgen kennis bezat. Voor een groot deel door hun toedoen leerde de kerk het allegoriseren en vergeestelijken. Met gevolg dat bijvoorbeeld de kerkvader Origenes nogal smadelijk schrijft over de ”blote letterknechten, die deHeilige Schrift op Joodse wijze uitlegden”.  De invloed van die man en zijn mening bleek groot en langdurend. De toon was gezet. De gevolgen bleven niet uit.

Zeg maar vanaf  het concilie van Nicea,  in 325 na Chr., en  nadat de Christelijke kerk wereldlijke erkenning kreeg, raakte de kerk er overwegend van overtuigd dat zij de vervanging was van de kerk uit het Jodendom, het nieuwe Israël, en dat zij dus ook de rechtmatige eigenaar was van de aan Israël vermaakte beloften. Toen dus al de vervangingsleer ten koste van de verwachting en het gebed voor het oude Verbondsvolk .

Feitelijk werd toen al vervuld wat Jeremia profeteerde (33 : 24):  Hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten die de HEERE verkoren had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.

Dus: Israël telt niet meer mee, en wij hoeven er niet meer mee te tellen. Het heeft afgedaan! Het heeft het absoluut en blijvend verzondigd, zeker en vooral door de verwerping van Jezus. Die Godmoor-denaars! Vanaf die tijd steekt ook het antisemitisme meer en meer de kop op, juist binnen kerk en christendom. Tot in het extreme toe als later bij de kruistochten en de Jodenverbrandingen.

Keizer Constantijn die de samenroeper is van het Concilie van Nicea schrijft de vergadering  : “Het is onze plicht niets gemeenschappelijks te hebben met die moordenaars van onze Heere. Wij wensen ons af te zonderen van het verfoeilijke gezelschap der Joden, zulk een verdorven volk”.

Vanaf die tijd, de tijd dus dat de Christenvervolgingen voorbij zijn, dat de kerk gaat groeien en bloeien en mee gaat tellen in de wereld, dus met de opkomst van de wereldkerk én van het pausdom, vat de gedachte post dat nú  het vrederijk, het beloofde Duizendjarig rijk is aangebroken. Het is vooral Augustinus die dit leert en de kerk vanaf dan meegeeft. Daarmee is dan Israel vervangen en haar toekomstverwachting vervangen. Een gedachte die velen in onze dagen nog niet vreemd is!

Hoe helder het licht eeuwen daarna, in de kerk met de Reformatie ook op mocht gaan over de rechtvaardiging door het geloof en de autoriteit van het Woord van God, aangaande Israëls plaats en toekomst, drong dat licht niet echt door. Al waren er uitzonderingen.

Het was toch was later, vooral door de Puriteinen,  dat daar verandering in kwam. Zeker was het door hun onbevangen en lezen en onderzoeken van de Bijbel dat zij weer de plaats ontdekten die niet de kerk, maar die nog steeds Israël rechtens toekwam. Ook dat er in elke Bijbeltekst wel geestelijke lessen zijn maar dat we niet altijd weer mogen beginnen met het vergeestelijken van de tekst.

En dat niet de beloften voor Israel op de kerk over waren gegaan, maar de oordelen en bedreigingen voor Israël bestemd bleven. Een conclusie  die vooral bekeerde Joden de kerk terecht verweten.

Van harte geloofden de Puriteinen in een wederaanneming en bekering van Israel en dat dit voor de wereld, naar het woord van de apostel Paulus, niet anders zal zijn als het leven uit de doden. Echt!

In ons land waren er de mensen van de Nadere Reformatie die overwegend bij bovenstaand geluid van harte aansloten.. Geen tientallen, maar wel honderden predikanten, veelal ook predikanten die  anderszins geacht werden grote lichten te zijn, maar die in later tijd op dit punt later  min of meer doodgezwegen werden.  Bijvoorbeeld ds. Wilhelmus á Brakel was er van overtuigd en schreef dat: “Dit het gevoelen is van zeer vele uitnemende Godgeleerden  van alle tijden, en van verre de meeste in onze dagen (toen), en ’t is (was)hem zo klaar uit het Woord van Gods dat (schreef hij) ik daaraan gans geen twijfeling heb!” (Redelijke Godsdienst deel 3, blz. 320). Ds. Theodorus á Brakel,  zijn vader, liet op de laatste dagen van zijn sterfbed  de laatste hoofdstukken uit Jesaja zich voorlezen, en begint naar aanleiding daarvan dan te spreken over de bekering der Joden en haar herstelling, alsmede van  een heerlijker staat der kerk van Jezus Christus op aarde. Zo vast lag dat voor hem!

Later waren daar de mannen van het Reveil die dezelfde mening waren toegedaan en uitdroegen. Met grote trouw en veel ijver zetten zij zich in op allerlei gebied, maar vooral ook. voor de bekering van Israël.  Wie hoorde en las niet de klinkende namen van de bekeerde Joden Abraham Capadose, Isaak da Costa en vele anderen uit die tijd.

Op veel plaatsten in het land werden vooral vanuit die Reveilkring bidstonden gehouden voor de bekering van Israël. In Opheusden bijvoorbeeld,  begon Capadose daarmee in 1852, en naar hij in een brief aan da Costa schreef, voor een gehoor van ca. 1200 mensen.1526

We denken o.a. ook aan de Hervormde dominee Adrianus van Herwaarden, een vriend en broeder van Capadose, die later in 1855 op zulk een aangrijpende en indrukwekkende wijze door een onweer werd  weggenomen, op de kansel van Opheusden. Makkelijk was het niet altijd, zo kon ds. van Herwaarden bijvoorbeeld in Dordrecht in geen enkele kerk terecht, en moest voor een bidstond voor de Joden, uitwijken naar de schouwburg. In de kerk daar toen geen plaats voor Israel.

Daarnaast was er de “Nederlansche vereeniging voor Israel” in 1861 opgericht door Mr. Isaac da Costa, Dr. Abraham Capadose en  Ds. C. Schwartz, allen zelf bekeerde Joden, met vele anderen die altijd weer bezig om hun volksgenoten door Woord en gebed  bekend te maken met de Zaligmaker.

Ook werden bidstonden gehouden vanuit “De commissie voor zending onder Israel”,  in de (uit de afscheiding ontstane) Christelijk Gereformeerde Kerk, opgericht om ‘Israel te brengen aan de voeten van zijn Messias’ maar anderzijds ook: ‘om de belangen van Israel te leggen aan het harte des Heeren én aan het hart van Zijn volk!’

En toen kwamen de afscheiding in 1834 en de Doleantie in 1886. Dat werden geschiedenissen van heel veel broederstrijd, van verdachtmakingen van verwijdering, en van onherstelbare breuken. Dat laatste bij het activisme van Dr. Abraham Kuyper en de zijnen bij de Doleantie in 1886 vermoedelijk nog meer en heftiger dan bij de meer lijdelijke afscheiding lang daarvoor in 1834.

Niet netjes wellicht, maar wel tekenend voor de verhouding in die tijd met de na de Doleantie achter gebleven Hervormden  in Amsterdam is, dat op 26 augustus 1888  in de Nieuwe Kerk een z.g. dank- en bedestond werd gehouden “die terugging tot de jaren 1588, 1688 en 1888, dus over de vernietiging van de Spaanse, de Franse en de Kuyperiaanse macht”.

Omgekeerd,   …..als ds. Hoedemaker niet met de Doleantie meegaat  heet het van die kant:  “dat men stille heeft te zijn en leed te dragen over de ‘zo diepe val’ van de eens zo beminde broeder ……”.

Onze aandacht gaat naar 1892  naar de toen bestaande  Christelijk Gereformeerde Kerk  (een in 1869 uit twee anderen gefuseerde kerk uit de Afscheiding)  dan bestaande uit 394 gemeenten en zo’n 189.000 leden, én de kerk uit de Doleantie van 1886, welke laatste met 306 gemeenten en 181.000 leden, tot samengaan besloten, in eerste instantie op initiatief van de gezamenlijke hoogleraren uit beide groepen. Hun eerste bespreking daartoe was al in 1887, dus het jaar na de Doleantie.

Door die fusie waartoe besloten en in 1892 overgegaan werd ontstond dus een voor die tijd forse kerk van 370.000 leden en van 700 gemeenten. De ene kerk brengt de Vrije Universiteit  te Amsterdam mee, de andere de Theologische Universiteit Kampen  en worden samen dan ook de bovenstroom van het Gereformeerd Protestantisme in die tijd. Zeker ook in acht genomen de geldingsdrang van de betrokkenen.  Een citaat daarover  “De Gereformeerde Kerken beschouwden zich lange tijd als de Meest Ware Kerk van Christus … … Vooral het werk van Abraham Kuyper en Herman Bavinck zette een stempel op kerkelijk leven en denken!”

Voor ons onderwerp is belangrijk te weten dat de Bijbelse verwachting voor Israel  in de kerken uit de Afscheiding, nog steeds aanwezig was,  maar bij de kerk uit de Doleantie nauwelijks, zeker niet bij de grote leider Dr. A. Kuyper, die vond heel die Israëlverwachting maar Joodse dromerijen.

Trouwens heel de gang van zaken rond en na die fusie is voor ons onbegrijpelijk als we geen oog hebben voor de enorm sterke persoonlijkheid en geldingsdrang  en het charisma van Abraham Kuyper.

Ik lees uit die tijd: “De persoonsverheerlijking rond Kuyper viel in Nederland slechts te vergelijken met de cultus rond Domela Nieuwenhuis bij de sociaaldemocraten. Zelfs de afgescheidenen  –dus buiten de Dolerende kerk—  vonden het moeilijk om zich aan dat charisma te onttrekken!”

In een ooggetuigenverslag bij de ontvangst van Kuyper bij zijn bezoek aan de synode van de – dus dan nog niet met zijn kerk gefuseerde–  Christelijke Gereformeerde Kerk, op 18 januari 1889 in de Burgwalkerk in Kampen lezen we.: “Nu zullen wij die grote man kunnen horen en van nabij voor het eerste met die redenaar kennismaken. Het is ongeveer half tien in de avond. Het gerucht loopt door de kerk. “De afgevaardigden zijn gearriveerd aan het station, en zo dadelijk zullen zij ter vergadering komen!”…. Het zijdeurtje gaat open. Prof. Noordzij treedt binnen, onmiddellijk gevolgd door Dr. Abraham Kuyper en Mr. Dr. Willem van de Bergh.. Na een welkomstwoord van de praeses gaat Kuyper achter zijn stoel staan, overziet de schare als een gladiator die de arena binnentreedt, en maakt onmiddellijk gebruik van de gelegenheid om het woord te voeren. Kwartier na kwartier, ja uur na uur verloopt die avond, en geheel de vergadering is als het ware één oor om naar het machtige en bezielende woord van de pleitbezorger te luisteren. En wanneer tegen het middernachtelijk uur de redenaar aan het einde gekomen is, en ook nog door van de Bergh, met dat bleke gelaat, terwijl een zwarte lok over het marmeren voorhoofd hangt, met zachte stem een woord gesproken is, aandringend om elkander te zoeken, waar ook de Heere ons gezocht heeft en blijft zoeken, keren wij huiswaarts om nog lang, lang na te spreken …!”

Een ooggetuige uit de Utrechtse tijd verteld over het optreden van de dan ca. 30 jarige Kuyper: “Als Dr. Kuyper opkwam deed hij altijd halverwege de trap het gebed. Ik zie nog zijn gladgeschoren gezicht, dat zwart doorschemerde. Op de kansel gebruikte hij altijd een klein Bijbeltje, met een bladwijzer waarop de symbolen van Geloof Hoop en Liefde. Alles deed hij uit het hoofd, de teksten zocht hij ondertussen vliegensvlug op. Wij zaten ademloos van het begin tot het eind. Het was zalig!”(?)

Een meer recent getuigenis over Kuyper lezen we bij Agnes Amelink: “Kuyper streefde zijn idealen na met ongelofelijke werkkust. Wie probeert zich een beeld van hem te vormen, duizelt het al gauw. Als een veelkoppig monster beheerst hij de laatste decennia van de negentiende eeuw. Overal waar de gereformeerde orthodoxie in het geding is duikt hij op, in persoon en in geschrift.”

We zullen daarbij moeten bedenken dat er bij deze  man een ‘is-gelijk-teken’ stond tussen die gereformeerde orthodoxie en zijn eigen mening, én …. dat een bijzondere verwachting voor de toekomst van Israël op grond van de onvervulde profetieën, zoals die leefde bij velen in zijn tijd, naar zijn mening totaal onbestaanbaar en onmogelijk was. En dat hebben die velen die nog  liefde en verwachting voor Israël hadden,  in en buiten zijn kerk,  geweten! En niet alleen zij in die tijd.

****************

Duurde het “Samen op Weg- proces” van 1962 tot 2004, dus ca. 42 jaar, Kuyper en de zijnen wisten de vereniging van 1892, ondanks leer-  en liggingverschillen, naamgevingproblemen enz.  enz.  in goed drie jaar door te drukken. Er wáren grote verschillen en de gang van zaken was eenzijdig richting Kuyper en zijn Gereformeerden. “Niettemin was er (ook) bij de Christelijk Gereformeerden een meerderheid die op vereniging aandrong. De verschillen die er waren moesten maar in de doofpot. Historie en beginsel werden hiermee  losgelaten en de weg tot vereniging gebaand. Door het aannemen van enige besluiten geheel in de geest van Dr. A. Kuyper werd het een snelle afloop der wateren………”.   Zo lazen we ergens.

En verschillen waren er. Bijvoorbeeld: over de veronderstelde wedergeboorte, over de verhouding Theologische Universiteit Kampen en Vrije Universiteit te  Amsterdam, over de naamgeving van het nieuwe kerkverband, over de verhouding met de Hervormden. Maar, … zéker ook bij het behoudende deel van de vroegere afgescheidenen, waren er vooral grote zorgen over leer en over de prediking in de z.g. Nederduits Gereformeerde Kerken. Met name Prof. Lucas Lindeboom verzette zich fel en lanceerde zelfs een tegenoffensief onder de, voor ons bekende naam: “Bewaar het pand u toebetrouwd”. Het mocht hem niet baten. Bijzonder vond hij zijn Kamper mededocenten tegenover zich en vooral zijn collega prof. dr. Herman Bavinck welke laatste juist een fervent voor- en mede-stander van Kuyper bleek, en voor wie kritiek op Kuyper en op de vereniging onverdraaglijk was.

Tussendoor merken we op dat genoemde Prof. Lindeboom een man was met onvoorstelbare ijver en werkkracht, hij stond aan de basis stond van vele liefdadigheidsinstellingen, maar was ook al als jong predikant,  en later zijn leven door, vurig bezig met evangelisatiewerk . Verder nam hij het nam hij  het zonder schroom op tegen pastoors, tegen moderne  predikanten en tegen socialisten. Hij schuwde het debat met zijn tegenstanders niet maar zocht het juist, tot-en-met met Domela Nieuwenhuis de beroemde en beruchte socialist  toe. En hij schroomde dus ook niet om de grote Kuyper zo nodig de voet dwars te zetten, al was hij zelf  toch ook wel voorstander voor verenigen van de kerken.

Veelzeggend is verder het getuigenis over hem: Lindeboom was vooral een man van de daad, afkerig van schoolse geleerdheid, levend uit de gereformeerde beginselen, echter meer een Bijbels theoloog dan een dogmaticus.  Denkelijk gold van zijn tegenpolen Kuyper en Bavinck het tegenovergestelde!

*********************

Niet lang daarvoor  stonden de Dolerenden nog scherp tegenover de Christelijk Gereformeerde Kerk, ja noemde Kuyper haar zelfs ‘krank aan de levenwortel’.

Omgekeerd lag van Christelijk Gereformeerde zijde, op de hieronder genoemde synode van Amsterdam een bezwaarschrift tegen de voorgenomen vereniging door zevenhonderd leden ondertekend op tafel. Het ongenoegen vooral van CGK zijde was om vele redenen  erg groot, vooral tegen de persoon en de leer van Kuyper, maar dat al was voor de kerkleiding geen reden om pas op de plaats te maken. Het moest doorgaan, en ……ook hier was het dat  de theologen voorop gingen, immers  de aanzet tot deze fusie was het overleg tussen de hoogleraren van de universiteiten te Amsterdam (de VU) en te Kampen (de TUK) al in 1887.

We lezen: “De vereniging zelf, was een moment van grote plechtigheid. Op 17 juni 1892 werd in de door de dolerenden  gebouwde Amsterdamse Keizersgrachtkerk,  de verenigde zitting gehouden van de synoden van de  Christelijk Gereformeerde Kerk en de Nederduitsch Gereformeerde Kerken”.  Nadat vooraf beide synoden daar afzonderlijk vergaderden, maar ook nadat al in september 1891 het principe-besluit tot verenigen was genomen.                          

*******************

Bovenstaande moeten we wel weten om het vervolg goed te kunnen begrijpen maar, ……. het zou gaan om de verwachting vóór Israël en dóór Israël en de vervanging daarvan door de vervangingsleer.kuyper

In de Dolerende kerken van Kuyper bespeuren we niet veel van de verwachting zoals die eerder  leefde bij het voorgeslacht in Nadere Reformatie en Reveil. Zeker zouden er nog wel individuele joden worden bekeerd meende men, maar Israel als volk en zeker als Verbondsvolk, had afgedaan: De Israëliet was ondergegaan in de Jood,  en de kerk had de plaats van Israel ingenomen.

Anders lag dat bij veel predikanten uit de, door Kuyper en de zijnen zo verfoeide Nederlands Hervormde Kerk, die onder andere ook betrokken waren bij arbeid voor Israël uit de Reveilkring en bijvoorbeeld ook voorgingen in bidstonden die door Dr. Capadose en anderen werden georganiseerd.

Maar veel meer nog blijkt de verwachting voor de toekomst Israëls en een open oog voor de nog onvervulde profetieën onuitroeibaar in de kerken uit de Afscheiding.

Zeker was dat laatste tot grote ergernis van Kuyper en zijn medestanders, naar zijn mening was het met de afloop van het Oude Verbond afgedaan met de bijzondere plaats en betekenis van Israël., vanaf dan vallen zij ook niet meer onder de noemer van Israel maar zijn het de Joden. Letterlijk schrijft hij: “Toen Immanuel(Christus) verscheen, is Hij niet opgetreden onder het van Godswege geïnspireerde volk van Israel maar …… onder de nawas van Israel, d.i. onder de Joden.”  Duidelijk toch!

Maar ook blijkt tot verdriet van Kuyper dat de verwachting voor wederaanneming en een nationale bekering voor Israël  en arbeid onder de Joden vrijwel altijd samengaat met  enige vorm van chiliasme. Ze blijken ook nauwelijks los verkrijgbaar. Abraham Kuyper gruwt er van en heeft het over een averechtse en onmogelijke verwachting.

Trouwens blijkt uit al zijn geschrijf ook een grote weerzin tegen het Jodendom. In 1879 schreef hij :
Al meer vestigt zich de aandacht der publieke opinie op de ongelofelijke invloed , die heden ten dage op de lotgevallen van Europa wordt uitgeoefend door de Joden”.

Elders is hij beducht: “dat het Joodse element zijn woeling even ongestoord en straffeloos (kunnen) voortzetten, veilig achter het ondoordringbaar schild van weleer geleden onrecht.”

Op een andere plaats wijst hij: “op de onberekenbare invloed, die een enkele bekeerling als da Costa, door zijn Semitische gloed  op de gezindheid van ons volk jegens de Joden heeft uitgeoefend.”

Had Kuyper dan helemaal geen verwachting voor het Oude Bondsvolk? Jawel hoor, maar ……. dat was een omgekeerde en negatieve verwachting. Zoals gezegd wist hij zeker dat de bijzondere plaats en taak voor Israel met het einde van het Oude Testament was afgelopen, vanaf dan is het ook geen Israël meer maar zijn het de Joden en is het gewoon een der vele volken op deze aarde, als de Belgen, de Chinezen of wat dan ook. Verwachting voor hen? Jawel dat had hij,  maar hoe?

We lezen in zijn boek “Van de voleinding”, op blz. 472:  Na Zijn verrijzenis is Jezus ten hemel gevaren. In de hemel der hemelen is Hij gezeten aan Gods Rechterhand. Met de macht bekleed is Hem een naam gegeven , welke is boven alle naam, zodat nu in Jezus Naam te buigen heeft alle knie dergenen die in de hemel, en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong heeft te belijden, dat Christus thans de Heere, tot heerlijkheid Gods des Vaders is. Dit nu wordt ons nader alzo uitgebeeld, dat Christus, nadat Hij ten hemel voer, alsnu zit als Koning, dat Hij als Koning heerst, en dat die heerschappij door gaat, totdat eens alle Zijn vijanden aan Zijn voeten onderworpen zullen zijn. Ook de joden, met hun volksstaat, zijn alzo van de ure van de Hemelvaart af, aan de Christus onderworpen geweest. Hij is het die van uit de hemel het lot van de Joden geleid heeft, en zo moet als derde grote daad van de Christus na de Hemelvaart, de ondergang van Jeruzalem en van de Joodse volksstaat voor ons vast staan. Eerst heeft Jezus van uit de hemel de Heilige Geest uitgestort. In de tweede plaats heeft Hij Saul op de weg naar Damascus tot Zijn apostel gemaakt. En in de derde plaats heeft Hij ook aan de Joden het ontzettend oordeel voltrokken dat in Zijn ‘wee u’ over de Farizeeën geprofeteerd lag.

In de korte geschiedenis van de kerk uit de Doleantie (!886-1892) is er één moment dat over zending onder de Joden gesproken wordt n.l. op het zendingscongres op 28, 29 en 30 januari 1890 volgens opdracht der voorlopige synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken. Het referaat wordt gehouden door ….. Dr. A. Kuyper. Kennelijk kon de man niet wachten met het heropvoeden van de Christelijk Gereformeerde volgelingen van Nadere Reformatie en Reveil. tot de kerkfusie een feit was.  Enkele flarden uit zijn lezing: …. zending onder de Joden…. moet niet gericht zijn op het maken van een enkele proseliet ……..moet het rabbinistische wezen in zijn hartader aantasten ……op dit netelige terrein de hoogmoed der Joden bestraffen door de wet ….. zelfs bij Joden-zending drongen Joodse denkbeelden in van chiliastische droombeelden …… wachten wij ons voor Juden-Hetze; maar ook voor Joden-liefhebberij ……de antithese blijft: Christus tegenover de Joden  …..

En dan te weten dat de voorzitter van dat congres  –ds. Lion Cachet–  een geboren en bekeerde Jood was die in zijn jeugd nog zat aan de voeten van da Costa.. De man ging in Rotterdam eerder mee met de Doleantiebeweging van Kuyper en bracht ruim 10.000 Rotterdammers mee. Hij zal op zijn minst een onbehagelijk gevoel gehad hebben onder de lezing van Kuyper.

De mening van Kuyper was dus duidelijk en …. hij was overheersend ja blijkt zelfs bepalend in de Dolerende kerk. Is het toeval of kruisbestuiving dat  aan de andere zijde, in de Christelijke Gerefor-meerde Kerk een vergelijkbaar geluid wordt gehoord uit de mond van –de toen nog jonge–  Dr. Herman Bavinck,die in tegenstelling tot zijn TUK-collega prof. Lindeboom in bijna alles op hetzelfde spoor als Kuyper zat. Op de zendingsconferentie van zijn eigen kerk, in 1889 spreekt hij over “Het Jodendom in onze tijd”, en zegt daar onder meer…. dat de Israëliet is ondergegaan in de Jood; de priester en Profeet maakt plaats voor de Schriftgeleerde; het gebed voor het formulier: de geest voor de letter!

De tweede en geheel tegengestelde lezing die bewuste dag was door ds. Jan van Andel  die handelde over: “Israël in de Apocalypse”  de laatste  stak zijn toekomstverwachting voor Israel duidelijk niet onder stoelen of banken. We lezen over hem: Hij stond bekend als een zorgvuldig en fijnzinnig exegeet maar was  –wellicht hierom — theologisch wel wat verdacht.

En het moet gezegd, die verwachting voor Israel en dat Chiliasme lag in de Christelijk Gereformeerde kerk  regelmatig op de synodetafel, wel werd het door de meerderheid afgewezen, maar ook steeds weer opnieuw ter sprake gebracht en verdedigd door een niet te verwaarlozen minderheid. Het stond in ieder geval op de agenda  van de synoden in 1863, 1866, 1872 en 1879.

Op de synode van 1879 waar 39 afgevaardigden vergaderd zijn,  is het ook ds. van Andel die het voorstel doet tot nadere bestudering van de profetieën. Uiteindelijk wordt ook dit voorstel verworpen, 23 stemmen tegen en 16 voor. Tegen dit besluit tekenden tien broeders bezwaar aan: Zij vonden dat het alleszins de moeite waard was het Bijbelonderzoek ter zake te stimuleren, zelfs eventueel de belijdenis aan te vullen.  Let wel: 40 procent van die vergadering stemt voor het voorstel en 25 procent tekent bezwaar aan. tegen verwerping van het voorgestelde. Het laat toch wel zien hoe daar de verhoudingen lagen.  Bij de protesterenden  zien we klinkende namen als ds. Lindeboom van ds. J.H. Donner en anderen, opmerkelijk genoeg ook de naam van ds H. Beuker van wie we weten van dat hij, net als Kuyper, een sterke  aversie tegen Joden had en dat ook uitdroeg, (hij gruwde bijv. alleen al bij de gedachte,  dat joden hoge functies in het leger zouden gaan innemen)  maar dat  tastte kennelijk zijn geloof in de profetieën en zijn ijver voor hun bekering  niet aan.

Al op de agenda van de Synode van 1875 stond als punt: De wenselijkheid om zending onder Israël ter hand te nemen ten einde Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias. Dat vond ingang,  en de synode benoemde om te beginnen een: “Commissie voor zending onder Israël”. Deze commissie zal in wisselende samenstelling als zodanig zal blijven functioneren tot na de vereniging en tot de fatale synode van 1893 om daarna verder te moeten als:  “Deputaatschap voor zending onder de Joden”.

Belangrijkste lid en stabiele factor is vanaf het begin de bekeerde Jood Ds. Eliezer Kropveld, vanaf het beging in 1875 tot zijn onvrijwillige -?- terugtreden in 1908, vrijwel de hele tijd als secretaris- penningmeester. We lezen over deze man: In de kerk die voortkwam uit de Afscheiding van 1834 vervulde Kropveld de rol die Da Costa en Capadose, Schwartz  en van Ronkel hadden vervuld onder velen van de orthodox-protestantse Nederlanders, (waartoe de Afgescheidenen trouwens ook behoorden). Hij was voor hen –naast die grote namen– een fenomeen!

Stimulator achter de oprichting van die Commissie was vooral ook ds.(later prof.) Lucas Lindeboom. Datzelfde jaar nog gaat er een oproep de gemeenten door om te collecteren voor de arbeid onder Israël: ’s Heeren eerstgeborene …Want:  De oudste zoon, al ziet hij wat stuurs en trots, is toch van God niet buiten gesloten …….. Een mooi begin, schreef Lindeboom er over, onze gemeenten worden reeds wakker, ook over Israel, Gods oude volk!

Van  ds. J.H. Donner lezen we in diezelfde tijd : Vooral drukte hij er op dat Christenen eindelijk eens moesten  ophouden tegenover Israël te handelen naar de treurige regel  ‘al het uwe is van ons’. Geenvervangingsleer dus.

Een vluchtige blik laat dus al zien dat het bij de Christelijk Gereformeerden (Afgescheidenen) wel heel anders lag als bij de Dolerenden van Kuyper. Het is dan ook met grote zorg dat de ‘Commissie voor zending onder Israel’ de fusie van 1892 van hun CGK met de NGK van Kuyper tegemoet ziet.  ‘Een confrontatie kon niet uitblijven!’

Het heeft er alle schijn van dat Kuyper gepopeld heeft om zijn kruistocht te beginnen tegen de, naar zijn mening  ‘onhoudbare en averechtse exegese’  der vaderen zoals die geloofd en geleerd werd door nog zo velen in de Christelijk Gereformeerde Kerk waarmee hij en zijn Dolende kerk gingen fuseren.

Bij enig onderzoek  treft de respectloze wijze waarop hij met mensen en hun meningen omging.

Al dadelijk was er een schermutseling over de juiste naam.  “Zending onder Israël van de Gerefor-meerde Kerken” had de oude maar herbenoemde commissie gedacht. Maar dat kon niet werd hen te verstaan gegeven. ‘Israël’ werd altijd toegepast op de kerk, en ‘Joden’ was gereserveerd voor de kinderen van Abraham naar het vlees, zo moesten ze weten en onthouden, dus moest de nieuwe naam worden: ‘Deputaatschap voor de zending onder de Joden’. Dat was al op de synode van 1893.

Dominee Kropveld schreef eerder op zijn levensverhaal en bekeringsweg uitgegeven door : ‘De commissie voor Christ. Geref. Zending onder Israël”, maar hij is zo goed niet of hij moet zijn boekje zo herzien dat het niet meer over Israël gaat maar over de Joden. Sterker nog, ….. als hij op een latere synodevergadering  nog eens de aanduiding ‘Israël’ gebruikt krijgt hij in het openbaar een standje van synodeadviseur Kuyper. Want …….. een titel moet vast staan,  en naar buiten moest zeker geen titel worden gevoerd die door de Kerken  –lees: Kuyper– als onjuist is afgekeurd.

Het moet ds. Kropveld geduizeld hebben, nooit maakte iemand in zijn kring bezwaar tegen de naam ‘Israël’, en nu ineens van alle kanten.

Op de synode van Middelburg 1896 is het weer raak. Als van Andel in een rapport vaststelt dat de Joden‘thans kinderen van ons volk zijn geworden’  krijgt hij onmiddellijk Kuyper tegen zich, dat gaat die veel te ver;  zij waren leden van onze volksstaat, ‘maar product, geboren uit ons volk waren zij toch zeker niet’.En als dezelfde van Andel dan ook nog op papier zet:  “de Joden zijn thans geen volk meer , maar eens zullen zij weder een volk worden”, dan moet hij dat ter synode nog terug nemen.

Kropveld schreef voor de Synode een verslag van de handelingen van deputaten en gaf een financieel overzicht en van Andel schreef het deputatenrapport met enkele voorstellen. Het rapport werd niet eens in de acta opgenomen,  het uitgebreide commentaar van de synodale commissie wel!

De kritiek werd onder woorden gebracht door — u raad het —  prof. dr. A. Kuyper, ‘als hoogleraar aan de Vrije Universiteit, één van de pre-adviseurs en lid van de synodale beoordelingscommissie’.

Om te beginnen stuitte het financiële verslag op  kritiek wegens vermeende verkeerde geldbelegging én onduidelijkheid. Vervolgens: Het voorstel van deputaten een docent Judaica aan de school in Kampen te verbinden werd per omgaande van tafel geveegd, met argumenten die een stevige steek richting ds. van Andel in zich hadden, ook waar die dat docentschap graag op zich had genomen.

Adviseur Kuyper was er tegen omdat naar zijn mening de colleges van zo iemand ‘rijk aan overzichten en arm aan inzichten meest zijn’.

Ook bespraken deputaten in hun rapport de vraag waarom zending onder de Joden afgezonderd moet zijn van die onder de heidenen en Mohammedanen en geven daartoe een vijftal redenen. Te weten:

1e dat de Joden dan weer een eigen volk zullen worden,.. 2e dat zij een eigen Heilige Schrift en theologische taal hebben,.. 3e dat wij een acte van eerbied schuldig zijn tegenover het volk, waaruit de Christus geboren werd .. , 4e dat de zending onder de Joden een bijzondere plaats in het hart  der vromen heeft,…  en 5e dat de toekomst der Joden in het nauwste verband staat met de toekomst der Christelijke kerk.

Maar  …. de synodale commissie  (zeg Kuyper) veegt ze allen grof en radicaal van tafel:  Met deze motieven kan uw commissie zich niet wel verenigen!  enz. …. en gaat verder: Deze motieven niet overnemende , is uw commissie van mening dat het motief voor een afzonderlijke zending alleen hierin gelegen is, dat zij –de Joden dus– zonder een valse bron van openbaring aan te nemen, met ons de openbaring des Ouden Testaments gemeen hebben, en dies te schuldiger voor God staan, bijaldien zij zich tegen het klare licht der openbaring verharden! . …. enz..

We lezen niet van Bijbelse motieven tegen de argumenten van deputaten, alleen de rationele tegen-argumenten en mening van Kuyper blijken te gelden en doorslaggevend te zijn.

Op de koop toe besluit de synode in een latere zitting ook nog  om het aantal deputaten terug te brengen van vijf naar drie stuks. De broeders, ook de afgedankten,  konden het nalezen in “Het Kerkblad”. Dat  was kennelijk het stempel op de besluitvorming!

Het fatale keerpunt

Laten we niet onderschatten wat er in die periode en met name op die synoden van 1892, 1893 en 1896  gebeurde. Daar botsten twee werelden., de wereld van Nadere Reformatie en Reveil enerzijds,  en die van de Doleantie aan de anderzijds, anders gezegd, ….de wereld van verwachting voor Israël,  en de wereld van de vervanging van Israël . De eerste zwak, niet georganiseerd, vrijwel zonder woord-voerder, de andere met Dr. Abraham Kuyper bijgenaamd “DE GEWELDIGE” voorop,  en twee Hogescholen achter zich met al hun invloed, plus een strakke kerkelijke organisatie.

Let nog even op!….Doctor Abraham Kuyper, dan ca. 55 jaar oud, de theoloog, predikant, staatsman, journalist,  hoogleraar, partijleider, kamerlid, minister van Binnenlandse zaken,  minister-president, hoofdredacteur van diverse bladen, stichter van de Vrije Universiteit, leider van de Doleantie enz. enz. Een autoriteit, en als zodanig erkend  binnen- en in buitenland. Een man met grote capaciteiten en bijzondere verdiensten Maar ook  … …van jongs af al een persoon met bijzonder sterke geldingsdrang.

Intussen gebeurde er wel iets vreselijks in die periode en op die genoemde synoden.  Daar werd een stroom afgedamd en een verwachting om zeep geholpen.  De stroom der gebeden op grond van de beloften voor Israel naar uitwijzen van het Woord van God, opgeroepen en gestimuleerd door de vaderen van Nadere Reformatie, door de Puriteinen , door het Reveil. Gebeden die ook gedaan werden en gestimuleerd werden in en door de openbare bidstonden. Bidstonden die belegd werden ‘om Israël te brengen aan de voeten van zijn Messias’, maar ook  ‘om de belangen van Israel te leggen aan het harte des Heeren en aan het hart van Zijn volk’.

keerpunt

Hier gaat in het denken van de kerk een wissel om en de trein gaat op het andere spoor verder, met invloed en doorwerking kerkelijk Nederland breed, ja zelfs ver over de grenzen door de internationale invloed van Kuyper en zijn school met de machtige roep: Het oude Israel bestaat niet meer en haar wettige rechtsopvolger en dus eigenaar van al haar beloften is nu de kerk! Het oude Israël is vervangen door het nieuwe Israël! Wat Israël was zijn nu de joden, achtergebleven als een volk zonder beloften en zonder verwachting want die gingen op de kerk over.

We misten op de synode van 1896 bij het verwerpen van de voorstellen –en de verwachting– van de deputaten door Dr. Kuyper dus enige Bijbelse onderbouwing, alleen rationele argumenten met de mening van Kuyper zelf voeren de boventoon. Maar het kan nog erger; ………  in het bijzonder informatieve boek: “Een kerk op zoek naar Israël”, schrijft Drs. J. van Gelderen over deze fase dat het moeilijk is om aan te geven waarom Kuyper het chiliasme (van iemand als da Costa) veroordeelde, en komt dan in feite tot de conclusie dat dit anti vooral ingegeven werd door politieke motieven (blz. 32). De Bijbelse theologen a la da Costaliepen hem voor de voeten, lezen we. Immers, Kuyper wilde handelen, organiseren, politiseren. Illustratief is in deze situatie de spanning tussen de dolerende Kuyper en  ds. Jan van Andel  als  geestverwant van da Costa ook op sociaal en politiek terrein. Maar:….. ‘de invloed en  het charisma van Kuyper was overigens veel machtiger dan de visie van van Andel.

Het is goed om ons te realiseren hoe ontzettend ingrijpend de gevolgen zijn van de leer dat de kerk de in plaats van Israel kwam, de vervangingsleer. En tegelijk op hoe zwakke en oneigenlijke gronden maar ook met hoeveel geweld deze leer in de kerk nieuw leven werd ingeblazen, met verachting van de mening en leer der vaderen., en ook van medebroeders die een andere mening hadden.

Het heeft ook alles te maken met heden, met verleden en met toekomst.

In het aangehaalde werk: “Een kerk op zoek naar Israël”, krijgen we ook een sfeertekening uit die tijd als we lezen: “Het Gereformeerde volksdeel –dat leefde bij de eenheid van Oude en Nieuwe Testa-ment– voedde zich wat zijn visie op Israel betreft veelal nog met wat  de zogenaamde oud-vaders

(van de Nadere Reformatie) hierover hadden geschreven. Een geliefd auteur was Wilhelmus á Brakel (1635-1711) met zijn “Redelijke Godsdienst. Enz.”.   Helaas, dat deel der kerk moest het onderspit delven en werd overruled door de school van Kuyper en van Bavinck.

Israël werd daar van haar naam en van haar eerstgeboorterecht beroofd, niet door haar God en HEERE maar door mensen en hun meningen. Hoe anders dacht Paulus er over in Romeinen 9 vers 4 en 5 en hoe indringend waren zijn gebeden voor zijn eigen volk blijkens de eerste drie verzen van datzelfde Romeinen 9.

Onbegrijpelijk dat ook de kerken der Reformatie die niet meegingen met de vereniging van 1892 en die zich met kracht verzet hebben tegen zoveel meningen van de Doleantie als de veronderstelde wedergeboorte, de wijziging van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis enz. enz. , dat diezelfde kerken,  juist en alleen als het om de verwachting voor Israel ging,  feitelijk ook  afstand namen van de Puriteinen, van de Nadere Reformatie en van het Reveil, en aangaande de vervangings-leer het Kuyper gewonnen gaven. Opmerkelijk en krampachtig is en blijft ook daar de angst voor alles wat in verband met de toekomst van Israël naar Chiliasme of zelfs naar de schijn daarvan zweemt.

Gevolg in de kerken? De bidstonden droogden op, de gebeden voor Israel droogden op. Trouwens, met het vervangen en vergeestelijken van de beloften voor toekomstige wederaanneming en bekering van het Oude  Verbondsvolk verdween de bodem, de pleitgrond onder die gebeden, en dat merken we tot vandaag de dag. Waar zijn de vurige gebeden als van Paulus in Romeinen 9, maar ook van een Goodwin, Bunyan,  vader en zoon á Brakel, Groenewegen, da Costa, Capadose, Ds. van Herwaarden,  en die honderden anderen die zich vast mochten klemmen aan de beloften en profetieën dienaan-gaande uit Oude en uit Nieuwe Testament en vurig verlangden naar de ‘Toekomst Israëls’. Naar de tijd dat God zijn beloften in gaat lossen. Ach wanneer komt die dag en die dagen!

Waarom werden vele jaren de boeken van oude schrijvers in deze zo selectief uitgegeven. Waarom namen en nemen voormannen uit de Reformatorische wereld (bijna) openlijk afstand van de toekomst-verwachting van de Brakel sr. en jr., van da Costa en van anderen?  Alles dank zij die vervangingsleer!

Zeker, er kwam na 1948 meer aandacht en sympathie voor Israël. We horen meer bidden voor dat volk in het Midden Oosten wat belaagd wordt van alle kanten, en is als een notendopje drijvende in een totaal vijandige Moslimwereld, dus dat gebed om bescherming is goed en nodig maar is niet genoeg.

Israël heeft meer nodig als dat. Wat dat uitverkoren volk nodig heeft om tot haar hoge bestemming te komen is bekering, is herleving, is wederaanneming,  is datzelfde licht uit de Hemel wat Saulus omscheen op de weg van Jeruzalem naar Damascus, is de vervulling van al Gods beloften, is de verzoening met de Koning der Joden.

“Doch zo wanneer het tot de Heere  zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen!”, en dan breekt het totdat-ogenblik aan, waar de Heere Zelf van spreekt: “Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet zien totdat gij zeggen zult  Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!”(Matth. 23:39)

Een rijke gedachte dat de Bijbelse profetieën beloften zijn maar tegelijk voorzeggingen zijn, de verkondiging van Gods raadsplan, en Zijn raad zal bestaan en Hij zal al zijn welbehagen doen, door al Zijn deugden aangespoord zal JHVW Zijn Woord en Trouw verheffen.

L.O.

Geraadpleegde literatuur:

“Boek van rijke herinnering” (Ned. Herv.  Amsterdam 1578-1928), door Ds. R. Dijkstra
“De gereformeerden” , door Agnes Amelink,   Amsterdam 2002
“De toekomst Israëls”, door Capadose e.a. Gorinchem 1852”
“Een kerk op zoek naar Israel”, door van Stegeren-Keijzer e.a. Kampen 1995
“Inleiding tot de dogmengeschiedenis enz.” door  Dr. J.C.L. Gieseler, Utrecht 1858
“Israëls aanneming het leven uit de doden”, door C.J. Buys,  Bleiswijk 1974
“Kort overzicht van de geschiedenis der CGK in Ned.” door Ds. W. Bijleveld, Haarlem 1924
“Theologische Universiteit in Kampen 1854 -2004”, door B. de Graaf en G. van Klinken, Kampen 2005
“Van de voleinding”, door Dr. A. Kuyper, Kampen 1929